Q-KOORTS

de Australische tekenbeetkoorts

Leo Rogier Verberne
met tekeningen van Marisca Bruinooge-Verberne




5. ELISA


De ELISA (Enzyme-Linked ImmunoSorbent Assay) is een test waarmee de aanwezigheid van afweerstoffen tegen een ziekteverwekker kan worden aangetoond. Een ELISA reageert alleen met de afweerstoffen tegen één bepaalde ziekteverwekker en is daarvoor specifiek. Maar ook weer niet zo specifiek dat afweerstoffen tegen de verschillende stammen van die ene bacteriesoort er door onderscheiden kunnen worden. Zo reageert de ELISA op Q-koorts met de afweerstoffen tegen alle 15 verschillende stammen van Coxiella burnetii. De test is zeer gevoelig en reageert al op bijzonder lage concentraties van afweerstoffen. Vooral bij grote verdunning is dat van belang bijv. voor het aantonen van afweerstoffen in tankmelk (bulkmelk): de aanwezigheid van maar enkele uitscheiders in een koppel van bijv. 100 koeien of 1000 geiten kan met zo’n ELISA worden aangetoond in 10.000 liter melk. Er zijn nog enkele andere laboratoriumtesten waarmee de afweerstoffentiter tegen de Q-koortsbacterie kan worden gemeten (1,2). Daarmee kan ook de eventuele titerstijging in een tweede bloedmonster worden vastgesteld.

Acute infectie
Na een opgelopen besmetting heeft het immuunsysteem ongeveer een week nodig om de vorming van afweerstoffen op te starten. Daarna duurt het nog eens twee weken voordat de productie op volle toeren draait. Vervolgens blijft die productie doorgaan totdat het immuunsysteem de infectie heeft overwonnen (4), al of niet met behulp van antibiotica (in het geval van een bacteriële infectie). Daardoor ontstaat gedurende een bestaande (acute) infectie een voortdurende stijging van de afweerstoffentiter tegen de ziekteverwekker. Die stijging kan worden aangetoond door in twee bloedmonsters van dezelfde patiënt de afweerstoffentiter te bepalen waarbij tussen de afname van het eerste en het tweede monster een tijd van circa 3 weken in acht wordt genomen (gepaarde monsters). Een significante (meer dan viervoudige) titerstijging in het tweede monster geldt hierbij als bewijs van een bestaande infectie. Door maar 1 monster te onderzoeken, kan een dergelijke stijging niet worden vastgesteld. Onderzoek van slechts 1 bloedmonster van een patiënt op deze afweerstoffen kan zowel tot vals-negatieve als tot vals-positieve diagnoses leiden.

Vals-negatieve diagnose
Iemand loopt een infectie op en wordt 3 dagen later ziek. De huisarts neemt een bloedmonster af en laat dat onderzoeken op afweerstoffen tegen de vermoedelijke ziekteverwekker. De uitslag van deze laboratoriumtest is echter negatief (geen afweerstoffen aangetoond). Vals-negatief in dit geval, want de patiënt heeft de infectie wel, maar zijn immuunsysteem kreeg nog onvoldoende tijd voor de productie van afweerstoffen tegen de indringers; daarvoor was het interval tussen de besmetting en de afname van het bloedmonster te kort (3 dagen). Een tweede bloedmonster dat 3 weken later wordt afgenomen (aangenomen dat dit gebeurt), blijkt wel positief omdat de productie van afweerstoffen dan op volle toeren draait. De omslag van de test van negatief naar positief wordt ‘seroconversie’ genoemd en bewijst de aanwezigheid van een infectie. Door het onderzoek van de patiënt te beperken tot een enkelvoudig bloedmonster ontstaat in dit geval een vals-negatieve diagnose en kan ten onrechte worden afgezien van behandeling of kan bijv. een onjuist antibioticum worden gekozen.

Vals-positieve diagnose
Iemand loopt een Q-koortsbesmetting op. Hij voelt zich een paar dagen wat minder fit maar wordt niet ziek. Toch komt zijn immuunsysteem door deze infectie in actie om de indringers uit het lichaam te verwijderen. De productie van afweerstoffen tegen de Q-koortsbacterie komt op gang. Uitschakeling van de indringers duurt ± 6 weken. Gedurende die tijd gaat de opbouw van afweerstoffen in het lichaam steeds maar door en er ontstaat een hoge titer in het bloed. Na de eliminatie van de bacteriën stopt de productie van afweerstoffen en begint de afbraak ervan. Maar die afbraak verloopt bijzonder langzaam: afweerstoffen tegen Q-koorts blijven nog circa 6 jaar aantoonbaar in het bloed. Gedurende al die tijd blijven de ELISA en de andere laboratoriumtesten dan ook positief. Bloedonderzoek op de aanwezigheid van afweerstoffen tegen Q-koorts geeft dus nog 6 jaar lang na het overwinnen van de infectie een positieve uitslag. Als het onderzoek dan beperkt blijft tot een enkelvoudig monster zal dus ook gedurende al die tijd een vals-positieve Q-koortsdiagnose worden gesteld en kan ten onrechte een behandeling met doxycycline worden ingesteld.

Diercontact
Contact met allerlei heel verschillende diersoorten kan leiden tot besmetting met de Q-koortsbacterie. Niet alleen landbouwhuisdieren (koeien, schapen, geiten, varkens) kunnen dragers zijn van de bacterie maar ook gezelschapsdieren (honden, katten, konijnen, cavia’s en paarden) kunnen besmet zijn zonder dat ze ziekteverschijnselen vertonen. Ook bij (post)duiven en teken is de Q-koortsbacterie aangetoond. De meeste infecties leiden niet tot ziekte bij besmette mensen. Zo had in 2006-2007 gemiddeld 2,4% van de Nederlandse bevolking afweerstoffen tegen Q-koorts in het bloed (3) zonder dat deze circa 400.000 mensen iets hadden gemerkt van de besmetting. Mensen met intensief diercontact hebben veel meer kans op besmetting: van 755 melkveehouders en hun gezinsleden bleek 72% over afweerstoffen te beschikken tegen de Q-koortsbacterie; 81% van de dierenartsen reageerde positief op de test en bij geitenhouders was dat zelfs 83%. Mensen met afweerstoffen reageren altijd positief op deze testen ook als ze een andere ziekte hebben bijv. leverontsteking of kanker. Bij hen kan een vals-positieve Q-koortsdiagnose leiden tot een onnodige behandeling tegen Q-koorts terwijl de echte aandoening in eerste instantie onbehandeld blijft. Dus een tweede bloedonderzoek op afweerstoffen is noodzakelijk voor het stellen van een betrouwbare diagnose en voor een juiste behandelingskeuze. Desondanks werd zo’n tweede onderzoek maar zelden gedaan.

melkkoe

contact met landbouwhuisdieren maar ook met gezelschapsdieren kan leiden
tot een ongemerkte besmetting met de Q-koortsbacterie

Conclusies
1. De ELISA voor afweerstoffen tegen de Q-koortsbacterie is zeer gevoelig (reageert positief bij lage concentraties afweerstoffen) en specifiek (reageert niet op andere afweerstoffen).
2. In de eerste week na een infectie zijn nog geen afweerstoffen in het bloed aantoonbaar; de uitslag van een eenmalig bloedonderzoek leidt dan tot een foutieve, vals-negatieve diagnose.
3. Als een Q-koortsinfectie is overwonnen blijven de afweerstoffen tegen de bacterie nog circa 6 jaar in het bloed aanwezig; de uitslag van een eenmalig bloedonderzoek op afweerstoffen leidt al die tijd tot een foutieve, vals-positieve diagnose.
4. Intensief contact met allerlei diersoorten kan leiden tot afweerstoffen tegen de Q-koortsbacterie in het bloed ook zonder dat de besmetting ziekte veroorzaakt.

Bronnen
1. Bijlmer HA: Consensus bij diagnostiek acute Q-koorts; waar zijn we het over eens? Infectieziekten Bulletin november 2010, 21
2. Groot, CAR en Limonard GJM: Q-koorts, kliniek en behandeling. Pulmo Script juni 2009 http://www.ildcare.eu/Downloads/artseninfo/Q-koorts.pdf
3. Notermans DW, Schimmer B, Harms MG, Reimerink JHJ, Bakker J, Schneeberger PM, Mollema L, Teunis PFM, van Pelt W en van Duynhoven YTHP: Sero-epidemiologie van Q-koorts in Nederland in 2006-2007. Infectieziekten Bulletin november 2010, 21
4. Wikipedia: Immunoglobulinen http://nl.wikipedia.org/wiki/Immunoglobuline

lees verder

© Leo Rogier Verberne
ISBN/EAN: 978-90-812153-8-1
www.q-koortsbesmetting.nl